Volgens Newtons wet van de universele zwaartekracht (1687) trekken twee massa's elkaar aan met een kracht evenredig aan hun massa's en omgekeerd evenredig aan het kwadraat van hun afstand. Op het oppervlak van de Aarde geeft dit een valversnelling van ongeveer 9,81 m/s².
In 1915 herformuleerde Albert Einstein de zwaartekracht in zijn algemene relativiteitstheorie: het is geen kracht in klassieke zin, maar een gevolg van de kromming van ruimtetijd door massa. Voor alledaagse situaties geeft Newtons formule nog steeds dezelfde resultaten als Einstein.
Zwaartekracht is verreweg de zwakste van de vier fundamentele krachten, maar ze werkt altijd aantrekkend en heeft een oneindige reikwijdte — daardoor vormt ze sterrenstelsels, planeten en zwarte gaten.