Het hart
Het hart is een spier ter grootte van een vuist, ongeveer 300 gram, gelegen in het midden-links van de borstkas. Het bestaat uit vier kamers: twee bovenste boezems (atria) en twee onderste kamers (ventrikels). De rechterhelft pompt bloed naar de longen; de linkerhelft pompt zuurstofrijk bloed naar de rest van het lichaam.
In rust slaat het hart 60–80 keer per minuut; bij inspanning kan dat oplopen tot 180–200 slagen. Per dag pompt het ongeveer 7 000 liter bloed rond.
Twee circuits
- Kleine bloedsomloop (longcirculatie) — van rechterkamer naar de longen en terug naar het linkeratrium. Hier wordt CO₂ afgegeven en O₂ opgenomen.
- Grote bloedsomloop (lichaamscirculatie) — van linkerkamer via de aorta naar alle organen en weefsels en terug naar het rechteratrium. Hier wordt O₂ afgeleverd en CO₂ + afvalstoffen opgenomen.
De twee circuits werken parallel: bij elke hartslag pompen rechter en linker tegelijk.
Bloedvaten
| Vat | Functie | Kenmerken |
|---|---|---|
| Slagaders | Vervoeren bloed weg van het hart | Dikke spierwand, hoge druk, pulserend |
| Haarvaten | Uitwisseling met weefsels | Eén cellaag dik, zeer talrijk |
| Aders | Vervoeren bloed terug naar het hart | Dunne wand, kleppen tegen terugstromen |
Bloed
Bloed bestaat uit ongeveer 55 % plasma en 45 % bloedcellen:
- Rode bloedcellen — bevatten hemoglobine (een ijzerhoudend eiwit) dat O₂ bindt en transporteert.
- Witte bloedcellen — onderdeel van het immuunsysteem; bestrijden ziekteverwekkers.
- Bloedplaatjes — celfragmenten die bij beschadiging de bloedstolling op gang brengen.
- Plasma — gele vloeistof met water, opgeloste eiwitten, glucose, ionen en hormonen.
Historische ontdekkingen
Tot 1628 dacht men dat het lichaam steeds nieuw bloed aanmaakte. De Engelsman William Harvey bewees in dat jaar dat het bloed in een gesloten cirkel rondloopt. Een halve eeuw later (1674) zag Antonie van Leeuwenhoek als eerste de rode bloedcellen door zijn microscoop.