Alle organismen bestaan uit één of meer cellen. Bacteriën zijn ééncellig; een volwassen mens telt ongeveer 37 biljoen cellen. Elke cel wordt omhuld door een celmembraan dat het binnenste afschermt van de buitenwereld en bevat DNA als drager van de erfelijke informatie.
Er bestaan twee hoofdtypen. Prokaryoten (bacteriën, archaea) zijn klein en hebben geen celkern of celorganellen. Eukaryoten (planten, dieren, schimmels) zijn groter en bevatten een celkern, mitochondriën, ribosomen en — bij planten — chloroplasten voor fotosynthese.
De celtheorie stelt dat alle organismen uit cellen bestaan en dat elke cel uit een andere cel ontstaat — door celdeling.
In welke discipline?
Celbiologie, kerngebied van de biologie.