Sterren en sterrenstelsels
Sterren zijn enorme bollen heet gas die hun energie krijgen uit kernfusie in hun kern. Ze ontstaan, leven miljoenen tot miljarden jaren en eindigen — afhankelijk van hun massa — als witte dwerg, neutronenster of zwart gat. Honderden miljarden sterren samen vormen een sterrenstelsel.
Sterren ontstaan uit grote, koele gaswolken die onder hun eigen zwaartekracht instorten. Wanneer de druk en temperatuur in de kern hoog genoeg worden, begint waterstof in helium te fuseren — kernfusie. De energie die daarbij vrijkomt, drukt de buitenste lagen tegen verdere instorting in. Onze Zon doet dit nu al zo'n 4,6 miljard jaar; ze heeft brandstof voor ongeveer 5 miljard jaar meer.
Het leven van een ster
De toekomst van een ster wordt bepaald door haar massa:
- Lichte sterren (zoals de Zon) eindigen als rode reus en daarna als witte dwerg — een dichte, langzaam afkoelende restkern.
- Zware sterren (8–20 zonsmassa's) eindigen als supernova; de kern blijft achter als neutronenster.
- Zeer zware sterren (meer dan 20 zonsmassa's) eindigen ook als supernova, maar de kern stort verder in tot een zwart gat.
In supernovae worden veel zware elementen — ijzer, goud, uranium — gesmeed. Vrijwel alle atomen in ons lichaam zwaarder dan helium komen ooit uit een stervende ster. Wij zijn, letterlijk, sterrenstof.
Sterrenstelsels
Sterren staan zelden alleen; ze klitten samen tot sterrenstelsels. Onze Melkweg telt zo'n 100 tot 400 miljard sterren. Het waarneembare heelal bevat naar schatting 200 miljard sterrenstelsels. Ze komen in drie hoofdvormen voor: spiraalvormig (zoals de Melkweg en de Andromedanevel), elliptisch en onregelmatig.