Halfwaardetijd is een vaste eigenschap van elke radioactieve isotoop; ze hangt niet af van temperatuur, druk of chemische omgeving. Na één halfwaardetijd is nog 50 % van de oorspronkelijke kernen over, na twee 25 %, na drie 12,5 %, enzovoort — een exponentiële afname.
De waarden lopen sterk uiteen. Polonium-214 vervalt in 164 microseconden, koolstof-14 in 5730 jaar, en uranium-238 in 4,5 miljard jaar — bijna de leeftijd van de Aarde zelf. Die langste waarden maken radiometrische datering van fossielen en gesteenten mogelijk.
In de geneeskunde gebruikt men kortlevende isotopen (technetium-99m: 6 uur) voor diagnostiek, en langere voor bestraling van tumoren.
In welke discipline?
Natuurkunde (kernfysica) en geologie (radiometrische datering).