Ecologie — organismen en hun omgeving
Ecologie bestudeert de relaties tussen organismen onderling en met hun fysieke omgeving. Ze beschrijft hoe energie en stoffen door ecosystemen stromen, hoe soorten samenleven of concurreren, en hoe biodiversiteit ontstaat en verloren gaat.
Ecologie kent verschillende organisatieniveaus. Individuele organismen vormen samen een populatie (alle individuen van één soort op één plek). Verschillende populaties die samenleven vormen een levensgemeenschap. Samen met de niet-levende omgeving (bodem, water, klimaat) vormt zo'n gemeenschap een ecosysteem. Alle ecosystemen op Aarde vormen samen de biosfeer.
Belangrijkste begrippen
- Producent, consument, reducent — drie rollen in een voedselweb. Planten zijn producenten via fotosynthese; herbivoren en carnivoren zijn consumenten; schimmels en bacteriën breken dood materiaal af.
- Voedselketen en voedselweb — wie eet wie. Een keten is een rechte lijn, een web is het echte netwerk.
- Trofische niveaus en biomassa-piramide — bij elke stap omhoog gaat ongeveer 90 % van de energie verloren als warmte.
- Biotische en abiotische factoren — levende vs. niet-levende invloeden op een populatie.
- Niche — de rol die een soort speelt binnen een ecosysteem.
- Biodiversiteit — de variatie aan soorten, genen en ecosystemen op een gebied.
Toepassingen
Ecologie ligt aan de basis van natuurbeheer, visserij, landbouw, soortbehoud en milieuwetenschap. Ze is ook nauw verweven met klimaatwetenschap: bij veranderend klimaat verschuiven hele ecosystemen.