De vier lagen
| Laag | Dikte | Toestand | Temperatuur |
|---|---|---|---|
| Korst | 5–70 km | Vast | tot ~500 °C aan de basis |
| Mantel | ~2 900 km | Plastisch (vast maar stroomt traag) | 500 — ~3 700 °C |
| Buitenkern | ~2 200 km | Vloeibaar ijzer en nikkel | ~3 700 — ~5 000 °C |
| Binnenkern | ~1 200 km straal | Vast ijzer (door druk) | ~5 000 — 5 500 °C |
Korst
De korst is de buitenste, vaste schil. Er zijn twee soorten: de dikke continentale korst (gemiddeld 35 km, vooral graniet) en de dunne oceaankorst (5–10 km, vooral basalt). Samen vormen ze met het bovenste deel van de mantel de lithosfeer — de breekbare buitenkant die in platen is verdeeld (zie plaattektoniek).
Mantel
De mantel is verreweg het grootste deel van de Aarde — bijna 84 % van het volume. Hoewel ze technisch vast is, gedraagt ze zich op miljoenen jaren als een zeer trage vloeistof. Warme delen stijgen op, koude zinken — een proces dat convectie heet. Die convectiestromen drijven de bewegende platen aan het oppervlak aan.
Kern
De kern bestaat vooral uit ijzer en nikkel. De buitenkern is vloeibaar en is — door zijn beweging — verantwoordelijk voor het aardmagnetisch veld dat ons beschermt tegen kosmische straling. De binnenkern is, ondanks zijn nog hogere temperatuur, vast door de enorme druk. Hij draait iets sneller dan de rest van de Aarde.
Hoe weten we dit?
We hebben nooit dieper geboord dan 12 km (Kola-boorput, Rusland) — minder dan 0,2 % van de straal. Onze kennis komt vooral van:
- Aardbevingsgolven — P- en S-golven planten zich anders voort door verschillende materialen. S-golven gaan niet door vloeistof; het feit dat ze de buitenkern niet kunnen passeren, bewees dat die vloeibaar is.
- Meteorieten — sommige ijzermeteorieten geven een idee van de samenstelling van de aardkern.
- Laboratoriumexperimenten — diamantaambeelden imiteren de druk in de kern.
- Magnetisme — het aardmagnetisch veld wijst op een geleidende, bewegende vloeistof.
Leeftijd
De Aarde is ongeveer 4,54 miljard jaar oud, bepaald via radiometrische datering van zeer oude zirkonen uit West-Australië. Direct na haar vorming was ze een gesmolten bol; de zwaarste elementen (ijzer, nikkel) zonken naar het centrum (de "ijzerregen"), de lichtere (silicium, aluminium) bleven aan het oppervlak. Zo ontstond de huidige gelaagdheid.